IMG_20210422_143857804
Bar bezoek, toen de terrassen nog open waren

Het was prachtig weer, toen ik op de door de middenstand in het leven geroepen en gehouden koopavond door het centrum van mijn woonplaats liep. Slechts bittere noodzaak had me er toe gebracht om deze route door het kloppende hart van mijn woonplaats te begeven.

Aan winkelen had ik tenslotte een broertje dood. Laat staan doelloos rondslenteren langs prachtig ingerichte etalages om vervolgens na een uur of twee met een lege portemonnaie of met een lege tas weer huiswaarts te keren.

Nee, door verkeerstechnische maatregelen van de Gemeentelijke Overheid wegens een stratenparkoers voor wieleramateurs en hun bijbehorende reclamekaravaan volgde ik de door gele bordjes aangegeven route om in ieder geval met niet al te veel omwegen weer thuis te geraken.

Toen corona nog niet bestond

Er waren al velen op de been, of ter wiel als het invaliden betrof. De laatste groep genoot het bijzondere voorrecht om bij alle sportevenementen en gebeurtenissen van nationaal belang vooraan te mogen zitten.
Nadat ik de hoofdstraat was beland vervolgde ik mijn weg zo snel als de drukte het me toe liet. In de verte hoorde ik de schetterende stem van de speaker. Eén of andere dorpscoryfee mocht zijn talenten via de elektronisch installatie ten toon spreiden om het geheel, zoals dat zo mooi heet, aan elkaar te praten. Ik genoot nog maar eens intens van deze prachtige avond.

Plots betrok de lucht boven me. Donkere wolken pakten zich onheilsspellend boven het centrum. De eerste druppels vielen met grote kracht naar beneden.
Toen pas herinnerde me ik dat ik geen jas bij me had, De winkels boden in verband met hun strikt nageleefde sluitingstijd geen soelaas. Slechts een aantal portieken en nog niet ingedraaide luifels boden de aanwezige bezoekers enige beschutting. Het lauwe regenwater drong door mijn bloes en ik voelde mijn huid aan het katoenen weefsel vastplakken.

Gered door een open deur

Ergens, niet ver van mij vandaan, ging een deur met veel lawaai open. Een vrolijk jong stel sprong naar buiten de plenzende regen in. Zonder me te bedenken rende ik, de plassen daarbij half ontwijkend, naar de overkant. De deur stond nog steeds open. Een bijna donker gat oogde me een beetje afschrikkend aan. Primitieve klanken, afgewisseld door dreunende bassen en schetterende solo’s sloegen me om de oren.
De bijna helse muziek deden mijn trommelvliezen hevig trillen.

Eenmaal staand op de deurmat nam ik even de tijd mijn zintuigen te laten wennen aan de voor mij op dat moment bizarre omgeving. Half struikelend over benen, barkrukken en kapot glaswerk vond ik uiteindelijk de bar. De oude toog bood me voldoende houvast om even te pauzeren. Rijen flessen en glazen prijkten uitnodigend op de glimmende chromen rekken boven en achter de bar. Een grote kitscherige spiegel vervolmaakte het geheel.

Een stoere barkeeper keek me vragend aan, terwijl zijn grote linker knuist op de zwarte massieve knop van de biertap rustte. In zijn linkeroor zat. Zover ik kon zien, een metalen staafje, dat verdraaid veel weg had van een fietsband ventiel.
Ik begreep niet direct zijn vragende blik. Maar dorst had ik ondertussen wel gekregen.

“Een bier, graag”, riep ik.

Nog steeds keek hij me aan, maar zijn blik was gefronster dan voorheen. Slechts zijn brede schouders die nauwelijks in het Wibra T-shirt pasten, haalde hij onverschillig, alsof ik Koerdisch sprak, zijn neus op.
“Een bier, alstublieft!”, schreeuwde ik het bijna uit, met een poging boven de hardrockmuziek uit te komen.

De tap werkt tenminste. Direct kwam de stevige staartmans in beweging: Vakkundig tapte hij een zo te zien heerlijk pilsje. Nadat hij met een spatel het teveel aan schuim had afgestreken, plaatste hij het biertje op een daar voor bestemd kartonnen onderzettertje voor me op de toog.
“Hoeveel is dat?”, schreeuwde ik wederom in de richting van de barkeeper.

“Twee vijftig”, dacht ik te horen en legde vervolgens een vijf euro biljet op de bar. De man achter de toog pakte met zijn rechterhand het briefje  aan, toetste met zijn linkerhand het bedrag aan en de kassala vloog open. Nadat hij het biljet in het daar voor bestemde vakje had gedaan, duwde hij met zijn flinke lijf ruw de la dicht. Voordat ik kon reageren, was hij al weer druk bezig met andere klanten te bedienen.
Meer beduusd dan boos keek ik hem na.

“Een verrekt duur pilsje”, dacht ik bij mezelf.

Maar, ja. Wat maakt het uit. Het is hier tenminste droog.”
Ondertussen merkte ik dat het steeds drukker was geworden. De muziek klonk, zo het leek, steeds luider en heftiger.
Ook aan de bar nam de dichtheid der dorstigen ernstige vormen aan. Een reddingsactie van de brandweer ware zeker op zijn plaats geweest.

Met moeite kon ik me staande houden en mijn plekje aan de bar verdedigen tegen al te opdringerige bezoekers. Tal van zweterige lijven botsten tegen me aan in een poging in de gunst van de barkeeper te komen om zodoende hun dorst te kunnen lessen.

De meest vreemde drankjes werden besteld en kwamen vanachter de bar vandaan: twee rum-cola voor een al te lollig stel meiden, een jus-jonge voor een miezerig uitziende student, een whisky met appelsap voor een wat oudere hippie met een broek uit de jaren zeventig, en een wodka met worteltjes sap voor een bijziende vwo-er.

Bert had het ook gehad

Een gesprek beginnen, laat staan onderhouden, was schier onmogelijk. Na een half uur schreeuwen begon mijn keel te lijden aan een algehele
slijmvlies verdroging.
De bezoekers in mijn directe omgeving schreeuwden steeds langer en harder dan dat ik kon. Blijkbaar behoorden ze tot de professionele bar bezoekers van dit café. Om m’n stembanden nog maar eens te verwennen bestelde ik nog een pilsje. Na mijn bloeddorstige brul kwam de barkeeper direct met een nieuw getapt biertje na me toe.

Het was echter al zo vol en druk dat het voor mij onmogelijk hem te betalen. Een aardige bezoeker was zo vriendelijk m’n portemonnaie uit m’n rechter broekzak te pak ken. Nadat ik de man bedankt had, wierp ik een biljet van 5 euro in de richting van de barkeeper. Deze ving het handig op en liet het terecht komen in de reeds geopende kassala. Als dank voor de goede zorgen voor zijn inkomsten gaf hij de la een geweldige duw met zijn vlezige onderlijf.

Het laatste zonlicht tegemoet

Regelmatig kwam er ook bier door de lucht en in mijn haar en nek. Ik merkte dat ik hier binnen natter werd dan waarschijnlijk buiten aan het begin van de regenbui. Moedig nam ik het besluit de uitgang proberen te vinden en te bereiken. Duwend, trekkend, struikelend en me vast grijpend aan diverse ledematen van voor mij onbekende bezoekers, worstelde ik me in de richting van waar de meeste jongelui kwamen.
Eindelijk.

Het laatste zonlicht van die dag wees me gelukkig de weg. Met een ware sprong belandde ik op de kletsnatte deurmat. Nog een keer keek ik om
in het halfduister. Toen stapte ik weer de hoofdstraat in. Langzaam raakte ik  weer gewend aan de buitenlucht.
“Hallo, Peter. Ook aan het winkelen? Of heb je eens lekker de bloemetjes buiten gezet?” hoorde ik iemand achter me roepen.

Vrolijk draaide ik me om en keek in de olijke ogen van Bert Zwijnstra, een collega van mij.
“Oh. Nee, hoor”, sprak ik verontschuldigend, “Ik was daar aan het schuilen.”
“’t Is goed”, antwoordde Bert en gaf me een zogenaamd vriendelijke schouderklop.

Teveel bier gehad?

“Het was zeker wel een gezellig feestje, daarbinnen. Maar sjonge, jonge wat stink jij naar bier.”
Nog wilde ik hem uitleggen wat de oorzaak daar van was, maar echt de kans er voor kreeg ik niet.
De vrouw van Bert was inmiddels bepakt en bezakt er bij komen staan. Terwijl ze me bedenkelijk aankeek, sprak ze hautain: “Kom, manlief. We moeten verder. Tot ziens.”

Haar man geen keuze latend, trok ze hem met enige dwang mee. En toen liepen ze verder. Nog een keer draaide Bert zich om en riep: “Ik zal niemand wat vertellen. Van  mij zullen ze niets horen.”
Verbijsterd lieten ze me daar achter. Ik kon zien hoe ze druk met elkaar pratend, daarbij nog een tweetal keren achterom kijkend, tenslotte de hoek om gingen.

Nog nooit heb ik een fikse regenbui, die op dat moment, boven me hoofd los barstte, verwelkomd. Ik liep, kletsnat als ik was, gewoon door, daarbij steeds vrolijker fluitend. Menigeen, half verscholen onder een paraplu, keek me niet begrijpend aan om vervolgens zich verder te spoeden naar een plaats waar het droger en warmer was. Een café of zo.

Print Friendly, PDF & Email