klodderaar op markt in NunspeetDe Klodderaar op de markt in Nunspeet was in mijn jeugd een bijzonder fenomeen. Tegenwoordig heb je zes keer per jaar de Eibertjesmarkt. Speciaal voor de toeristen en andere buitenlui. In mijn tijd (jaren vijftig/zestig) waren de weekmarkten in het centrum van dit Veluwse dorp ook al een echt uitje. Hoogtepunt was voor mij de kraam met kronkelende palingen en de Klodderaar, die vliegensvlug schilderijen kon maken.

Zomervakantie in Nunspeet

In de zomervakantie logeerden we vaak in Nunspeet. We kwamen helemaal op de fiets vanuit Hengelo (o), waar we sinds 1947 woonden. Omdat onze ouders beiden uit Nunspeet kwamen, gingen we in de zomervakantie daar altijd vier weken logeren. Vaak bij de familie Westerink aan de Westerlaan. We logeerden ook twee keer bij de familie van Zalk aan de Zeeweg.

Als we na die lange fietstocht met zadelpijn en een moe lijf eindelijk aankwamen, dan stond Hanna Westerink altijd klaar met een heerlijke appeltaart. Wat waren we dan blij, dat we er waren. 
Daar van uit maakten we allerlei tochtjes naar Harderwijk, Elburg, Hattem en Epe. Maar er waren ook dagen, dat we gewoon in Nunspeet bleven. Er was genoeg te beleven. Ook onze grootouders woonden er. En de familie Hagenbeek, onze oom en tante met drie dochters.

We zwierven door de bossen, bouwden hutten en speelden in de zandverstuivingen. Maar we keken altijd uit naar de markt in Nunspeet. Dat was heel wat anders dan die we in Hengelo hadden. Deze was gezelliger en gemoedelijker. Vandaar dat we er altijd wel heen wilden.

Lekker naar de markt

‘Ga je mee? Dan gaan we naar de markt’, vroeg ik aan mijn zus. 
Vanmorgen mochten we met zijn tweeën van mijn moeder alleen naar de markt.
‘Hier, wat geld voor wat lekkers’, zei ze en drukte ons allebei vijftig cent in de hand.
Bij het naar buiten gaan aaide ze nog even door mijn haar.
Best blij liepen we het pad af en gingen rechts af de Westerlaan in, die uitkwam op de Stationslaan.

We sloegen links af en stonden al meteen met onze neuzen tegen de etalageruit gedrukt van één van de eerste winkels.
Vol met speelgoed en leuke souvenirs. Wel kitsch, maar als kind vonden we het mooie spullen.
We liepen vrolijk richting de Dorpsstraat en sloegen daar rechtsaf.

Hoe dichter we bij de markt kwamen, des te drukker werd het.
Drommen mensen liepen richting de markt. Overal waren kraampjes.
De winkels hadden allerlei spullen op de stoep uitgestald. 
Verlekkerd keken we naar de ijskraam. Nog meer trek kregen we bij de frietkraam.

Op de markt keken we onze ogen uit

Op de markt was het drukte van belang. Jonge mensen, oude mensen, alle leeftijden waren vertegenwoordigd. Veel toeristen. Ongeduldig, druk en te hard pratend drongen zij voor bij alle kraampjes. Gelukkig kwamen wij uit de stad en wisten hoe we daarmee moesten omgaan. De echte Veluwnaren waren rustiger en hadden meer geduld. Veel mensen van hier liepen nog in echte klederdracht. Net zoals de ouders van mijn ome Willem Hagenbeek.

Opeens waren we bij de viskraam, één van de vele overigens. De visserman, met een gezicht alsof de verfverdunner op zijn huid verdampte, keek ons aan en vroeg: ‘Lekkere paling kopen?’ 
Daarbij wees hij naar enkele tonnen net voor onze neus. In drie grote bakken kropen grote dikke levende palingen in het zaagsel.
Ik deed een stap achteruit. De glibberende beesten keken me met een half oog aan.
‘Zullen we er een paar kopen? Mama vindt ze lekker’, zei mijn zus.
‘Nou, nee, laten we eerst maar eens verder kijken’ en trok haar mee naar de volgende kraam. De grabbelton sloegen we ook maar even over.

De Klodderaar schildert met verve

‘Kijk, laten we daar eens gaan kijken’, zei mijn zus en liep alvast vooruit naar een grote drom mensen.
Op een soort podium stond een man in een wat te ruim zittend pak. Zijn vlinderdasje hing losjes om zijn nek.
In zijn linker hand had hij een klein schildersdoekje. In de rechterhand een penseel. Voor zich een palet met diverse kleuren.
‘Kijk hier wat wolken, een beetje storm op komst’, terwijl hij met zijn penseel en witte en zwarte verf een redelijke lucht neer plantte.

Het toegestroomde publiek keek met de nodige belangstelling en bewondering.
Vervolgens ging de Klodderaar verder: ‘Hier wat struiken en dennen, want we zijn tenslotte op de Veluwe’. 
Hij liet zijn penselen over het doekje zwierend strijken en het begon ergens op te lijken.
‘Kijk, daar komt Marietje met haar schaapjes’. 
Met veel verve klodderde hij iets wat op een meisje leek. De schaapjes brachten het niet verder dan wat vlekken.

‘Natuurlijk kan Marietje niet dakloos zijn’, terwijl hij een soort hut klodderde.
Na nog wat streken was hij klaar en toonde zijn werk en signeerde het. 
Trots liet hij het publiek zien.
Een applaus was zijn beloning.

Echte schilderkunst

Een Amsterdammer kocht het voor vijf gulden en liet het trots zien aan zijn gezin.
De meeste mensen gingen verder, terwijl de Klodderaar zich voorbereidde voor een nieuw kunstwerk.

Samen met mijn zus liepen we nog even naar de grabbelton. Voor 20 cent mochten we allebei een keer een greep doen in de ton. Even roeren en toen hadden we iets verpakt in een stukje krantenpapier.
‘Kijk’, zei ik ‘ik heb een neusfluitje.’
Ik probeerde het. Maar ik snoot blijkbaar alleen maar mijn neus.

Mijn zus had een klein houten klompje, dat ze aan haar trui kon spelden. 
Samen liepen we snel naar de ijskraam en maakten de rest van ons zakgeld soldaat.
Terwijl we voor een winkel op de stoep zaten, genoten we van het ijsje. 
Een zucht klonk toen het op was. Tevreden liepen we naar huis. Maar wel zonder paling,

Later hadden wij echte kunst uit Nunspeet in huis.  Twee prachtige schilderijen van Jos Lussenburg.
Toch wel wat beter dan het snelle product van de Klodderaar op de markt in Nunspeet.

 

Lees ook eens mijn Veluwe Gedichten.

Print Friendly, PDF & Email