veluwe verhalen van mees peet

Mijn opa mijn held voor altijd

Mijn opa, mijn held                                       

We kennen nu de zorghelden. Tijdens de lintjesregen in april krijgen velen een onderscheiding. Maar mijn opa mijn held voor altijd.

Ik moest kokhalzen. De stank en smaak van menselijke uitwerpselen drongen binnen. Ik walgde. Maar huilen, of schreeuwen wilde ik niet.
Opnieuw voelde ik zijn laars in mijn nek. Opnieuw drukte hij mijn hoofd in de stront. Ik probeerde terug te denken aan de geur van dennenbossen en bloeiende heide. Ik zocht naar het geluid van zingende vogels. 

Ik kroop, ik walgde

“Tauchen, du Judenfreund. Ich lerne dich schwimmen in deinen Dreck!” schreeuwde de kapo. Opnieuw kreeg ik een dreun met zijn knuppel op mijn achterste. Een vlijmscherpe pijn schoot door mijn hele lijf.
Vanuit mijn ooghoeken zag ik de voeten van de andere kapo’s. Ze stonden er bij en lachten.
Ik kroop, ik walgde, ik stikte bijna. Maar ik gaf niet op. Nooit voor deze sadisten en goddelozen. Ik kon bijna niet meer. De stront zat in m’n neusgaten, ogen en oren.

Op een bankje bij Elspeet

‘Zullen we hier even gaan zitten?’ vroeg mijn opa. Hij zette net buiten Elspeet zijn zwarte herenfiets tegen de bank en ging zitten. Ik deed hetzelfde en nam plaats naast hem.
Ik keek naar hem op: een rijzige pezige man met donkerbruine ogen. Zelfs op 75-jarige leeftijd straalde hij nog ontzag uit.

Even was het stil. Samen luisteren we naar de vogels, die vrolijk op deze zomerse dag hun lied zongen. Samen genoten we van de geur van de naaldbomen en de bloeiende heide.

‘Zelfs in het kamp kon ik gelukkig nog de vogels horen’, zei mijn opa plots. Ik keek naar hem op en zag hoe hij even slikte.
Zonder op mijn reactie te wachten, ging hij verder.

‘Het was een zware tijd, daar in kamp Vught. Soms moesten we spitsroeden lopen. Dan stonden de kapo’s in twee rijen tegen elkaar opgesteld. Wij, de gevangen van blok 8, moesten er door rennen. Een regen van slagen daalde dan op je neer. Vreselijk’.

Spitsroeden lopen

‘Moest u dat ook doen, opa?’ vroeg ik bijna overbodig. Maar ja, wat wist ik als twaalfjarige van de Tweede Wereld Oorlog.
‘Ik zag mijn kameraden één voor één in elkaar geslagen worden. Sommigen vielen. Men bleef dan slaan. Zo hard, dat het bloed door onze gestreepte tenues drong’.
Hij legde zijn hand op mijn knie en ging verder.
‘Ik dacht, ik stop niet, ik moet niet vallen, ik zal het halen. Ik nam een spurt, weerde zo goed mogelijk de slagen met m’n armen af. Struikelde, deed weer een paar stappen. Proefde warm bloed op mijn lippen. Zag steeds minder. Struikelde nog eens, maar bleef op de been. De laatste klap gaf mij een vreselijke duizeling. Maar ik had het gehaald. Dat hadden ze niet verwacht.’

Geen Duitsland

Er gleed heel langzaam een traan over zijn gebruinde wang.
Ik slikte en kreeg het er moeilijk mee.
‘Wat een vuilakken’, reageerde ik boos.
‘Peter, zulke woorden moet je niet gebruiken. Natuurlijk was het fout wat ze deden. Niet voor niets hoef ik nooit naar Duitsland. De Veluwe is toch het mooiste plekje, wat ik ken’, antwoordde hij me.
Mijn opa nam zijn hoed af en legde die naast zich, op de verweerde bank.

Grünewald

‘Grünewald was de ergste. Hij was een echte sadist. Hij had een herdershond. Die joeg hij wel eens af op ons. Dan greep zo’n beest je in je been, hand of het ergste in je edele delen. De kapo’s stonden er dan hartelijk bij te lachen. Soms moedigden ze de honden ook nog aan. Afschuwelijk was dat.’
Opeens zat er een grote witte zakdoek in de hand van mijn opa. Luidruchtig snoot hij zijn neus. Toen deed hij zijn zakdoek weer weg, stond op en zei: ‘Kom, Peter, we gaan weer verder. Anders zijn we zo laat in Nunspeet en wordt oma ongerust.’

Ik pakte mijn fiets en samen liepen we naar het fietspad en stapten op, richting Nunspeet.
We zeiden niet veel meer. Beiden dachten we aan wat we samen gedeeld hadden. Maar nog steeds hoorden we de vogels, roken we de dennenbossen en de bloeiende heide.

Kijk ook eens naar het vervolgverhaal over mijn opa.

Print Friendly, PDF & Email