Onderduiken in de Tweede Wereldoorlog
Onderduiken in de Tweede Wereldoorlog : Verstopt in het keukenkastje

Mijn vader, een ouderwetse leraar, had heel wat bijgeleerd. Diploma’s behaalde hij aan de lopende band: boekhouden, handelsrekenen en Duits MO-A. Zelf heb ik nooit begrepen, waarom hij toch Duits heeft gestudeerd. Zeker als je ziet wat hij, mijn moeder en hun families hebben meegemaakt. Onderduiken in de Tweede Wereldoorlog is het kleine verhaal in een overdonderende geschiedenis.

De oproep voor Arbeitseinsatz in 1943

Alle oud-militairen moesten zich aanmelden voor de Arbeitseinsatz in Duitsland. Mijn vader had van 1939 tot en met 1940 ook gediend en wel in Rotterdam. Dus als oud militair moest hij zich ook gaan melden. Daarnaast behoorde hij tot de leeftijdsgroep van 15 tot 40 jaar en was verplicht zich te melden.

Toen de eerste officiële bekendmakingen hiervoor openbaar gemaakt werden, ontstond er al snel een oploop bij het Gemeentehuis in Nunspeet. De één waarschuwde je toch maar te melden. De Duitsers waren niet zachtzinnig. Terwijl de ander aangaf dat nooit te doen. Mijn vader stond aandachtig het plakkaat te lezen en dacht er het zijne van.

Thuis gekomen overlegde hij met mijn moeder. Wat moest hij doen? Zich melden met het risico om nooit meer terug te keren. Mijn vader en moeder waren net bekomen van wat opa Coeleman was overkomen door te weigeren wat de bezetter eiste. Maar moest mijn vader zijn zwangere vrouw en twee kleine kinderen achterlaten?

Onderduiken of niet?

Uiteindelijk besloten mijn ouders, dat het misschien beter was om tijdelijk ergens anders te verblijven. Ondertussen zou mijn moeder proberen via connecties een vrijstelling te regelen voor mijn vader. Maar waar moest hij naar toe? Naar oma Coeleman? Haar man zat opgesloten in Kamp Vught. Naar oom Bé (broer van mijn moeder)? Die zat in het verzet, ook te riskant.

Tenslotte besloot mijn vader naar zijn moeder te gaan om te kijken, of daar een mogelijkheid was. Met een kleine tas met wat spullen sloop hij voor het Speruur naar het huis van zijn moeder. Deze woonde sinds kort alleen. Jan Andries van Heiningen was in april 1943 gestorven. Het huis aan Bosweg nummer 8 was groot genoeg.

Oma van Heiningen keek eerst wel op ‘Piet, wat kom jij hier doen?’
Mijn vader legde alles uit en oma stemde er mee in. Samen maakten ze een rondgang door het grote huis. Een echte verstopplaats was echter nergens goed te vinden.

Piet in het keukenkastje

Opeens kreeg oma een inval.
‘Wat vind je van het keukenkastje onder het aanrecht?’ vroeg ze mijn vader>
Die keek eerst heel raar en vroeg toen: ‘Daar pas ik toch nooit in’.

‘Kijk’ zei oma en opende het deurtje ervan, ‘Deze planken zitten los en daaronder is genoeg ruimte op het schone witte zand’. 
Ze haalde een paar planken weg en liet mijn vader de vrij gekomen ruimte zien. 
‘We leggen daar een oud vloerkleed in en een kussen. Een deken om je warm te houden, een paar flessen water, een zakje met wat brood en een lege fles voor je weet wel’.

Mijn vader zag het opeens zitten en samen gingen ze aan het werk. Voordat het licht werd, was de onderduikplek klaar. Voor enkele dagen, met name overdag moest dat vol te houden zijn. 

Die dag, lag mijn vader voor het eerst onder de keukenvloer. Hij hoorde af en toe de voetstappen van zijn moeder. 
Mocht er onraad zijn, dan tikte ze twee keer met haar wandelstok op de vloer. 

Eindelijk vrij met een Ausweis

Enkele dagen verbleef hij daar, vooral overdag. ’s Avonds ging hij er even uit om te luchten. Maar natuurlijk uiterst behoedzaam, want niemand mocht weten, dat zijn moeder niet alleen was.  Slechts één keer hoorde hij twee tikken op de keukenvloer. Muisstil bleef hij liggen. Hij voelde zijn hart in de keel kloppen. Hij hoorde de stem van zijn moeder en een onbekende mannenstem. Dan hoorde hij voetstappen, die zich weer verwijderden. Pas ’s avonds durfde hij, nadat zijn moeder had gezegd, dat het veilig was, naar buiten te komen. 

‘Dat was iemand van de Gemeente, die wilde weten of ik wist, waar je was’, legde zijn moeder uit.
‘Ik heb toen gezegd, dat ik je al een week niet meer gezien had’.
Opgelucht haalde mijn vader adem. 

Toen de ergste dreiging voorbij was, had mijn moeder een goede bevriende ambtenaar gevonden, die een vrijstelling voor mijn vader regelde.
Door zijn werk op de Veluwse Melkfabriek kreeg hij een Ausweis. Als financieel administrateur was hij zogenaamd onmisbaar in de keten van de voedselindustrie. Zo kwam hij redelijk ongeschonden de oorlog door. 

Was er wat gebeurd met hem, dan waren mijn zus en ik nooit geboren. We mogen dankbaar zijn, dat zelfs in zulke barre tijden geluk en hoop niet verbannen zijn. Onderduiken in de Tweede Wereldoorlog door mijn vader was de bescherming van mijn bestaan.

Print Friendly, PDF & Email