Schilderen met mijn nicht

Wie zijn op deze foto de schilderende nicht en neef?

Tegenwoordig spelen kinderen nog maar weinig buiten. Onze kleinkinderen zijn waarschijnlijk een uitzondering. Maar vroeger had je geen smartphone, gameboy, of playstation. Je had bijna niets. Vandaar dat we veel buiten waren. We speelden dan, totdat we naar binnen geroepen werden voor het eten. Hier het verhaal Schilderen met mijn nicht. 

Schilderen met mijn nicht, waar gebeurd

Die vakantie logeerden we weer vier weken in Nunspeet. Het ene deel van ons gezin bij de familie Westerink. De rest bij opa en oma Coeleman. Die woonden toen aan de Bergakkerweg 13 in Nunspeet. Het leuke was, dat ook mijn oom en tante Hagenbeek in Nunspeet woonden. Ten tijde van dit verhaal was dat aan de Spoorlaan 20. Met hun kinderen, drie nichtjes, speelden we vaak. Ik meestal met Jeannet, de jongste.  

Een mooie zomerdag in Nunspeet

Die dag logeerde ik bij opa en oma Coeleman. Je kon via een pad zo naar mijn oom en tante lopen. 
Mijn opa, gepensioneerd politieman, had een grote moestuin met ook een kippenhok met wat leghennen. 
De tuin voor en opzij van het huis was het domein van mijn oma. Ze hield van mooie bloemen en planten. Vooral de hortensia’s koesterde ze met alle liefde. 
Vaak mocht ik mijn opa helpen. We groeven dan een gat achterin de tuin voor afval. Of we verzorgden de kippen. Soms mocht ik helpen rode bessen plukken, of wortels trekken.

Maar vandaag hadden we niets te doen. Dus vroeg ik, of ik naar oom en tante Hagenbeek mocht. Mijn opa vond dat goed. Het was een mooie dag. Dus vrolijk liep ik naar het huis van oom en tante.
Jeannet was ook al buiten en samen gingen we in de tuin spelen. Schommelen, tikkertje, verstoppertje, maar uiteindelijk waren we uitgespeeld en begonnen we ons wat te vervelen.

Ga het schuurtje maar schilderen

Oom Willem zag ons verveeld zitten. Hij was altijd al een vrolijke man en had vaak lumineuze ideeën.
“Waarom gaan jullie niet het schuurtje schilderen? Ik kom er maar niet aan toe.”
We keken elkaar aan en vroegen ons beiden af, of hij dat meende of ons voor de gek hield.
“Kijk hier is verf en hier zijn kwasten”, zei hij en zette de spullen voor ons neer.
Zelf haalde hij met een oude schroevendraaier de deksel eraf en roerde er mee door de verf.
“Zo, nu kunnen jullie aan het werk. Let wel op, dat je niet knoeit”, gaf hij aan.
Hij keek nog een keer en ging toen naar binnen.

We gingen samen heel gedreven aan het werk en werkten zo netjes mogelijk. De ene plank na de andere werd voorzien van de groene verf. De kozijntjes van het raam en de deur, die toen nog wit waren, hoefden we niet te doen. Maar ja, als je zo ijverig bent, neem je wel eens een randje of ruitje mee. Af en toe stapten we achteruit om ons werk te bewonderen.

“Het gaat best goed”, zei ik tegen mijn nichtje, “we zijn al bijna klaar.”
Opeens moest Jeannet heel erg hard lachen en wees met de kwast naar mij: “je hebt verf op je gezicht en bril΅
Even keek ik beteuterd, maar reageerde al snel “jij op je mooie zomerjurk.”

Waarom weet ik nog steeds niet

Opeens, ik weet nu 63 jaar later nog steeds niet waarom, maar begonnen we elkaar met de kwasten te bespatten. De klodders groene verf spatten ons om de oren en vooral op de kleren. We hadden pret voor tien. Onze overmoed werd zo groot, dat we de kwasten opnieuw in de pot verf doopten en elkaar beschilderden.
“We lijken wel indianen, maar dan groenhuiden in plaats van roodhuiden”, lachte Jeannet luid.
Ik lachte hard mee.

Op een gegeven moment zag ik niets meer. Alles werd donker. Ik had een ferme streek verf over mijn bril gekregen.
Opeens kwam oom Willem naar buiten. Blijkbaar was het zo komisch, dat hij heel hard moest lachen.
Meteen riep hij tante Lena. Maar die was minder blij.
Mijn andere nichten, Willy en Ineke, moesten ook hard lachen. Het was zeker erg komisch, twee van die groene ‘kikkers’ , die door al die aandacht enigszins beteuterd keken, zover dat mogelijk was.

Groene zeep en terpentine

Onze gezichten, haren en armen en handen werden door oom Willem met terpentine schoon gemaakt.
Daarna moesten we naar tante Lena, die ons met warm water en groene zeep probeerde schoon te boenen.
Het meeste ging er wel af. Maar hier en daar bleef een groene waas achter in ons haar en op onze huid.
De kleren werden zo goed mogelijk schoon gemaakt. Maar bleven vlekken vertonen. 

Toen ik werd opgehaald door mijn moeder, vond ze dat ik naar terpentine stonk.
De groene waas in mijn haar deed haar vermoeden wat er gebeurd was.
Mijn oom heeft haar vervolgens het helemaal verteld.

Maar we hadden die middag wel lol gehad. De verf was op en de schuur prachtig groen. Die heeft nog jaren lang dienst gedaan als schuur. Misschien staat die nog steeds in het groen te pronken achter het huis aan de Spoorlaan 20 te Nunspeet.
En Jeannet en ik hadden nu ook een setje kleren voor het schilderen. 
Toen we aan het eind van de vakantie terug gingen naar Hengelo, was de terpentine lucht eindelijk geheel verdwenen. 

Print Friendly, PDF & Email