Veluwe verhalen spelen aan de zoomweg

Veluwe verhalen huisje aan de Zoomweg Nunspeet

Spelen aan de Zoomweg in Nunspeet

In de periode 1952-1962 gingen we nooit naar het buitenland. Reden? We hadden nog geen auto en deden alles op de fiets. Elke zomer fietsten we vanuit Hengelo naar Nunspeet (95km). We logeerden dan bij vooral de familie Westerink, die woonde aan de Westerlaan 37. Hier het verhaal: Spelen aan de Zoomweg. 

Altijd gastvrij ontvangen

Ons gezin, vader en moeder en 5 kinderen, was in die tijd niet onder te brengen in één huis. Laat staan in een hotel. Vakantiegeld bestond toen nog niet. Dus mijn ouders regelden altijd iets wat betaalbaar was. De oudste 2 of 3 kinderen logeerden meestal bij opa en oma Coeleman. De rest verbleef meestal bij de familie Westerink, die aan de Westerlaan 37 in Nunspeet woonde.

Dat was een hele gastvrije familie, die een deel van hun huis aan ons verhuurde. Meestal hadden wij de voorkant tot onze beschikking. Marinus was chauffeur bij de VVM, zoals dat toen heette. Hij reed met grote vrachtwagens naar kazernes en melkfabrieken. Soms mochten we wel eens mee. Dat was erg spannend.

Moeder Westerink, Hanna, was een erg lieve en vrolijke vrouw. De familie was erg gastvrij. Als we aankwamen van die lange fietstocht, dan had ze vaak een heerlijke verse appeltaart of cake klaar staan. 

Het bos dichtbij

Als we de Westerlaan uitliepen en de Nieuw-Amsterdamweg overstaken, dan waren we toen zo in het bos en op kleine zandverstuivingen. We konden daar heerlijk spelen. Vaak met Eugenie, Wim en Hannie gingen we daar naar toe.

Als stadskinderen waren we niet zoveel meer gewend. We keken dan ook onze ogen uit als we langs enkele schamele woningen kwamen. Buiten speelden ook kinderen in het zand. Die zagen er niet zo schoon uit. Thuis vroegen we onze moeder waarom die een theedoek om het hoofd hadden. Ze vertelde, dat ze ziek waren en een soort zweren hadden. We moesten er maar niet te dicht bij komen. Dat knoopten we dan maar in onze oren.

In het bos deden we vaak verstoppertje. Of we gooiden dennenappels naar elkaar. Of we lieten ons lekker van de zandbulten rollen. Groeven kuilen en maakten hutten. Die dagen vlogen altijd om. Moe en vuil kwamen we dan weer thuis.

Hangend aan een tak

Natuurlijk vonden we boompje klimmen ook spannend. En de één is daar behoedzamer in dan de ander. Mijn zus en ik behoorden tot de eerste groep. Maar broer Wim, die wat ouder was, was ook stoerder. Hij klom als een aap hoog de boom in. Een prachtige ruw gevormde den met veel uitstekende takken. veluwe verhalen van mees Peet

Opeens hoorden we een schreeuw en gekraak. We keken omhoog en zagen hoe Wim halverwege in de boom hing. Hoewel hij zich probeerde op te richten, lukte dat niet. Nog een paar scheldwoorden. Toen zagen we dat een puntige, maar stevige tak, zich in zijn bovenbeen had geboord. En daar hing hij aan.

Hoe hij zich heeft los gemaakt, weet ik niet. We waren blij toen hij weer op de grond stond. Het bloedde hevig. Hij bond er snel een zakdoek om. Zo gingen we maar snel naar ons huis aan de Westerlaan. Hij gaf geen kik. Eigenlijk de eerste Rambo, die ik kende.

Hechten maar

Mijn moeder sloeg de handen voor haar gezicht en vroeg of het zeer deed. Mevrouw Westerink was al net zo bezorgd. Wim bleef als Rambo rustig en flink en gaf geen krimp. Achterop de fiets van mijn vader reden ze samen naar de plaatselijke huisarts.

Een uur later kwamen ze terug. Wim had een verband om het been en vertelde stoer dat er wel 10 hechtingen in zaten. Hij werd toen door iedereen verwend. Want zoiets is toch niks. 

Die avond speelden we gewoon weer lekker buiten op straat met z’n allen.
Spelen aan de Zoomweg was toch wel spannend. 

Lees ook eens ‘Veluwe gedichten‘.

Print Friendly, PDF & Email