ultieme ervaring als bijrijder VVM Nunspeet 1960

Hannie Westerink en ik (1954)

Vrachtwagens hebben altijd mijn bijzondere interesse gehad. Nog steeds kijk ik met geweldige eerbied naar de chauffeurs die met schijnbaar gemak hun wegreuzen overal langs sturen. Geen obstakel is hen te moeilijk. Ook met alle files en dergelijke rijden de meeste vrachtwagenchauffeurs met erg veel inzicht en verantwoordelijkheid. 

Mijn eerste ervaringen deden zich voor in de jaren 1954-1962. Wij logeerden jaarlijks in de zomervakantie bij de familie Westerink aan de Westerlaan 37. Vader Marinus Westerink werkte in die jaren als chauffeur van een tankwagen bij de VVM Nunspeet (tegenwoordig Nestlé). Toen ik 12 was, mocht ik enkele keren mee. Het spannendste was een rit door de nacht. Het was de Ultieme ervaring als bijrijder bij de VVM Nunspeet. Iets om nooit te vergeten.

Vroeg naar bed

Eindelijk was het zover. Ik mocht een nachtelijke rit mee maken met Marinus Westerink. Al eerder was ik een paar keer mee geweest. Maar dat was overdag en toch wat anders. Meestal deed hij een aantal melkfabrieken in de omgeving aan. De ene keer om melk te halen, of karnemelk te brengen. Hij vervoerde dan met een Kromhout tankwagen met aanhanger grote hoeveelheden zuivel. 
Ik had het wel eens eerder gevraagd. Maar Marinus zei dan: ‘Beste Peter, als je 12 bent, mag je ’s nachts een keer mee.’
Nou, gelukkig was ik dat eindelijk. 

Die avond ging ik al heel vroeg naar bed. Het was hoog zomer, dus nog lang licht. Ik hoorde liggend in mijn bed buiten de kinderen spelen. Dus van slapen kwam niet zoveel. De uren leken voorbij te kruipen. Om half twaalf ’s nachts kwam mijn moeder me waarschuwen: ‘Ga nog even naar de wc, je brood staat op het aanrecht en doe een jack aan.’
Ze wenste me veel plezier en leidde me naar de voordeur.

Samen keken we de donkere nacht in. Opeens hoorden we het grommende geluid van de tankwagen van Marinus. De gele koplampen verlichtten de halve straat. Er zat zelfs een aanhanger achter. De gele cabine van de Kromhout truck was goed zichtbaar. Marinus bracht de wagen tot stilstand en stapte uit.
Joviaal begroette hij ons en leidde mij naar de andere kant van de vrachtwagen. Hij opende deur en wees me hoe ik in moest stappen. Met enige moeite klom ik naar binnen.

Hoog gezeten overzag ik alles

ultieme ervaring als bijrijder

Scania uit 1962 (Kromhout was haar evenbeeld)

En daar zat ik, hoog gezeten keek ik over de neus van de vrachtwagen. Mijnheer Westerink had speciaal voor mij een kussen neer gelegd. Daardoor kon ik meer zien. Marinus stapte in. Hij keek me vriendelijk aan en draaide de contactsleutel om. Een geweldig ronkend geluid kwam van buiten de ruime cabine in. De wagen begon ligt te trillen. Nog één keer zwaaide ik naar mijn moeder. En daar gingen we de Westerlaan uit, richting Harderwijker straatweg. De koplampen streken met hun brede bundels over de weg.

‘Zo Peter, daar zijn we op weg. We rijden eerst naar de melkfabriek in Oldebroek, daar halen we een tankwagen karnemelk op’, vertelde Marinus Westerink mij. 
Zijn grote sterke handen lagen op het stuur. Af en toe moest hij schakelen. In Doornspijk minderde hij vaart. We reden in het donker over de verlaten Zuiderzeestraatweg. Toen ging het naar Oldebroek. Een kwartier later draaide de tankwagen met aanhanger het terrein op van de melkfabriek. Marinus draaide met zekere kracht aan het stuur en manoeuvreerde het geheel achterwaarts bij de fabriek.

‘Blijf jij maar in de wagen, ’t is namelijk zo klaar’ en hij stapte uit en liep naar de aanhangwagen. In de spiegel kon ik zien dat hij een grote slang monteerde aan ‘onze’ tank en aan een grote kraan aan de muur. Toen begon het zoemen. Af en toe trilde de combinatie. 
Na 10 minuten was hij terug en zat weer naast me. Hij startte de Kromhout en we reden het terrein af. De wagen trok wat trager op.

Naar de melkfabriek in Nijkerk

‘Zo’, zei Marinus, ‘Nu gaan we naar Nijkerk en halen daar gewone melk op en dan gaan we twee kazernes bezoeken en ons vrachtje afleveren.’
Aandachtig keek ik naar alles wat hij deed. Dan moest hij weer schakelen, dan weer remmen of gas geven. Zijn ogen gingen van de buitenspiegels naar de weg voor hem. Niets ontging hem. Het was nog steeds erg stil op de weg. Af en toe kwamen we een andere vrachtwagen tegen.

Aangekomen in Nijkerk tankte hij de tank op de trekker vol met melk. Toen dat klaar was, stapte hij weer in en liet de vrachtwagen met aanhanger rustig optrekken. Dan waren we weer op de grote weg en reden richting Hilversum. 
De wijzer op de aanwezige klok liet zien dat het inmiddels twee uur in de nacht was.

Via Amersfoort reden we over de rijksweg naar Hilversum. We kwamen bij een met hekken omgeven terrein met allerlei gebouwen erop. Bij de slagboom moest Westerink tonen, dat hij toegang had. Het was oké. We mochten verder. Overal stonden militaire voertuigen opgesteld. Best een imponerend gezicht.
Eindelijk waren we bij een groot vierkant gebouw, waar de keukens waren. Ik mocht nu ook uitstappen. Trots liep ik mee en keek hoe hij aan de achterste tankwagen weer een slang koppelde naar de tank in het keukengebouw.

‘Zo, daar gaat 5000 liter karnemelk. Straks ook nog 6000 liter gewone melk en dan zijn we weer klaar’, legde hij me uit.
Terwijl de liters in de tank van de keuken stroomden, mochten we binnen een kop koffie drinken. Een heerlijk broodje kregen we ook.

Naar de Kromhout kazerne in Utrecht

Toen we klaar waren, gingen we weer de cabine in van de Kromhout. De motor begon weer te ronken en we verlieten het terrein. We gingen nu richting Utrecht. Midden in de stad lag de Kromhout Kazerne. Inmiddels was het 4 uur geworden. 
‘Hoe komt het dat de wagen soms heen en weer schudt?’ vroeg ik aan Marinus.
‘Dat komt, omdat de tanks nu half leeg zijn en daardoor minder stabiel zijn. Dan klotst de melk heen en weer en daar moet je als chauffeur goed op letten’, legde hij uit. 
‘Oh’, zei ik, alsof ik het begreep.

Om 5 uur waren we bij de Kromhout kazerne in Utrecht. Marinus had op een geweldige manier zijn combinatie door de straten van Utrecht gereden. Nu werd de rest van de melk en karnemelk overgepompt naar de tanks in de Kazerne keuken. 
Binnen kregen we een vers broodje en een warme kop soep. Dat smaakte heerlijk. Voldaan rekten we ons even uit.

‘Kom, Peter, we gaan weer, dan kunnen we om 7 uur in Nunspeet zijn, voordat het te druk wordt op de weg’, legde hij uit.
We bedankten de kok en stapten weer de cabine in. Buiten Utrecht reden we via Amersfoort en Harderwijk naar Nunspeet.
Het was al wat licht aan het worden. 

Ultieme ervaring als bijrijder bij de VVM Nunspeet

Om kwart voor zeven reden we Nunspeet binnen. Even later zwenkte de tankcombinatie met zijn gele cabine de Westerlaan in. Bij ‘ons’ huis stopte Marinus.
‘We zijn er. Jij mag vast uitstappen. Ik moet nog naar de fabriek en de tanks en slangen schoon spuiten’, zei Marinus. 
Ik bedankte hem voor de geweldige spannende nachtelijke rit, stapte uit en liep het tuinpad op. 

Mijn moeder was al wakker, want ze vroeg hoe het geweest was. 
‘Het was geweldig, iets om nooit te vergeten’, zei ik en gaapte luid.

Terwijl de vrachtwagen combinatie naar de Stationslaan reed, keek ik bijna weemoedig het gevaarte na. Ik hoorde Marinus schakelen en optrekken, toen hij de bocht om was. Even later viel ik in mijn bed in een diepe slaap om ’s middags om vier uur weer wakker te worden. Op het nachtkastje lag het brood wat ik helemaal vergeten was.

Print Friendly, PDF & Email