De laatste fietsgedichten over klassiekers en renners:
Vork
Zo op het eerste gezicht
hoort zoiets niet in een fietsgedicht.
Nee, eerder past het bij het bestek,
als ik misschien de tafel dek.
Keurig naast het bord in t gelid
rechts ervan als ik erachter zit.
Te gebruiken als gereedschap
bij het eten, uitgezonderd bij pap,
of bij het hooien op het land,
of ’t rooien van piepers uit ’t zand.
Maar zonder vork op je fiets
is de tweewieler nagenoeg niets.
Het houdt het voorwiel in bedwang
en verbindt het stuur met de stang.
Vangt dreunen tijdens de ritten,
heeft z’n broer aan de achterzijde zitten.
Tezamen vormen ze een hechte band,
zodat ik lekker kan fietsen door het land.
Waaier
Bij het lezen van dit woord
heeft menigeen daar wel van gehoord.
Zoiets is wel in het geheugen gegrift,
zo’n mooie Spaanse flink op drift.
Echter dat beeld is geheel fout
en niet waarop een klasse renner bouwt.
Bij het rijden over lange saaie wegen,
in weer en wind en bij regen,
rijdt men graag keurig in gelid,
waarbij de een schuin achter de ander zit,
om op die manier te profiteren
van wat anderen presteren.
Wisselend van kop naar achter,
lijkt de tegenwind zelfs zachter,
even in de luwte om te recupereren,
om straks te kunnen demarreren.
Slechts een is uiteindelijk uitverkoren,
waarbij de grote meute dan heeft verloren